Hoogland (Amersfoort)

Problemen

Problemen?

Slaan, dat dóe je toch niet? Of wel?

De eerste keer
Heel veel ouders zeggen: “Ik zal mijn kind(eren) nooit slaan”.
En dan gebeurt het toch. Je kind lijkt het bloed van onder je nagels te halen.
Het gáát maar door, ondanks je waarschuwingen. En dan opeens …… haal je uit, je sláát je kind.
Van schrik lijkt de wereld even stil te staan. En je weet: nee, dit wil ik niet.
En ter plekke of kort daarna bied je je kind je excuus aan. Je legt uit waarom je het deed en jullie praten er samen over. En je kind blijkt door dat samen praten vaak te beseffen dat het te ver was gegaan.
Als het bij die ene keer blijft dan is er meestal weinig tot geen schade aangericht.

De tweede keer
Maar gebeurt het (kort) daarna weer, dan dient er op zijn minst een alarmbelletje bij je te gaan.
Want wat gebeurt er van binnen bij jou als je kind lastig, vervelend, enz. doet?
Welke gedachten komen in je op? Hoe voel je je? Wát voel je precies?

De gevolgen
Veel kinderen voelen zich onveilig als er thuis (of ergens anders) gedreigd of geslagen wordt.
Er kunnen allerlei gedragspatronen ontstaan die in te delen zijn in twee groepen: “acting-in” en
“acting-out”. Oftewel terugtrekgedrag en agressief gedrag.
Voorbeelden van “acting-in” gedrag zijn: stil in een hoekje zitten en heel vaak naar vriendjes gaan.
Voorbeelden van “acting-out” gedrag zijn: een grote mond opzetten, stoer doen en andere kinderen pesten.

Als een kind zich niet veilig voelt, kan het zich niet onbelemmerd ontwikkelen.
Angst belemmert de groei.

Een cliënt vertelde over haar jeugd het volgende:
“Ik weet nog goed dat ik van mijn moeder een draai om mijn oren kreeg. Zij had me al diverse keren gewaarschuwd dat ik moest ophouden met zo’n lawaai maken op de piano. En toch ging ik door.
Tot de maat vol was en zij opnieuw de kamer binnen kwam en me een klap gaf. Ik huilde niet want ik wist dat ik haar uitgedaagd had en bovendien was de klap niet echt hard.
Maar wat wel erg was, was mijn vader. Die sloeg op de meest onverwachte momenten. Het had vaak weinig of niets met mijn gedrag te maken. Hij was dan ergens boos over en reageerde dat af op mij.
Hij wilde niet gestoord worden door zijn kinderen. Die moesten zich koest houden.
Ik geloof dat het slaan niet eens zo heel vaak gebeurde. Maar dat het kón gebeuren en ik niet wist wanneer, maakte dat ik bang was. Bang voor mijn eigen vader.
En ik veranderde van een open en nieuwsgierig kind in een stil, timide, onhandig en verlegen kind.
Altijd alert, altijd op mijn hoede en heel vaak bang.

Uit dit verhaal blijkt duidelijk het verschil in het effect van geslagen worden.
Haar moeder sloeg één keer en verder niet en bovendien wist de cliënt waarom dat was.
Er ontstond daardoor geen angst.
Naar haar vader wel. Ook al “gebeurde het niet eens zo heel erg vaak”.
Het is dus niet alleen de frequentie van het geslagen worden die van belang is. Dat er geslagen kán worden, maakt dat het voor het kind onveilig is.

Wat te doen?
Iedere ouder gunt zijn/haar kind het beste. Om dat te bereiken wordt zelfs slaan ingezet.
Maar dat werkt niet, integendeel.
Slaat u wel? Dan nodig ik u met nadruk uit om actie te ondernemen.
Er met iemand over te praten, zoals met uw partner of met een goede vriend(in).
Is dat niet mogelijk of helpt dat niet, neem dan met mij contact op.
Samen kunnen we bespreken hoe u de communicatie met uw kind zodanig kunt veranderen dat slaan niet meer nodig is.